Financiële ratio’s

Zoals jullie weten is Geldnerd dol op het bijhouden van statistiekjes. De een is nuttiger dan de ander. Maar omdat ik mijn financiën goed bijhoud, kost het geen enkele moeite om al die statistiekjes bij te houden. Ze worden automatisch berekend, zolang ik mijn hongerige datamonsters maar blijf voeden met actuele gegevens van mijn banktransacties en beleggingen.

Maar ‘less is more’, zegt de minimalist in mij. Dat vind ik nog wel moeilijk. Toch is het belangrijk om mijzelf te beperken. Goed in beeld te hebben wat nou de indicatoren zijn die er echt toe doen. Tegelijkertijd, welke ratio’s voor jou persoonlijk van belang zijn hangt ook af van jouw persoonlijke situatie. Iemand met vooral schulden zou naar andere dingen moeten kijken dan iemand met vooral vermogen. En een huisjesmelker particuliere verhuurder kijkt weer naar andere dingen dan een belegger. Iets om over na te denken dus.

Wat zijn financiële ratio’s?

Financiële ratio’s zijn statistiekjes die je helpen in één oogopslag laten zien hoe je er financieel voor staat. Ze helpen je om bewuste beslissingen te nemen over jouw financiële planning en financiële toekomst. Als je ze volgt door de tijd kun je ook zien hoe jouw financiële situatie zich ontwikkelt. Ze geven een beeld van jouw financiële gezondheid.

Veel mensen maken de fout om financiële ratio’s te gebruiken om zichzelf te vergelijken met anderen. Ik vind dat persoonlijk onverstandig. Ik schreef ooit al eens dat de weg naar financiële onafhankelijkheid geen wedstrijd is met anderen. Het is alleen een wedstrijd met jezelf. De grote valkuil van financiële ratio’s is namelijk dat ze eendimensionaal zijn. En achter ieder getalletje zit een wereld die je niet kent. Jezelf vergelijken met een ander is dus alleen maar vragen om teleurstelling en frustratie. En die kan ik missen als kiespijn.

Goede financiële ratio’s vertellen een waarheid over jouw eigen situatie die je niet kunt ontkennen. Dat kan confronterend zijn, maar soms is dat nodig om tot actie te komen. Dat is mij in de afgelopen 15 jaar regelmatig overkomen… Als het goed is zijn de ratio’s niet moeilijk om uit te rekenen. Ze helpen je om problemen tijdig te signaleren of (nog liever) te voorkomen.

Wat houd ik bij?

Het spaarpercentage en mijn eigen vermogen blijven de twee belangrijkste getalletjes. Het Spaarpercentage is het deel van mijn inkomen dat ik niet uitgeef, maar gebruik om te sparen, als inleg in beleggingen, of voor de aflossing van de hypotheek. Ik heb al eens een uitgebreide blog geschreven over hoe ik dit bereken. Ik volg dit per maand en per jaar. Op basis van mijn Budget weet ik ongeveer waar ik op uit zou moeten komen. Bij grote afwijkingen naar beneden en naar boven ga ik op onderzoek uit naar de oorzaken van de afwijking. Ja, ook als mijn spaarpercentage veel hoger is dan verwacht. Want misschien ben ik dan wel een rekening vergeten of zo.

Ook over het Eigen Vermogen heb ik al wel eens uitgebreid geschreven. Dit is het geld dat ik overhoud als ik al mijn bezittingen verkoop en al mijn schulden aflos, en dat ik vervolgens in mijn zak heb zitten als ik de wijde wereld intrek. Die definitie is erg belangrijk voor mijn gevoel van vrijheid.

Toch zegt eigen vermogen ook niet alles. Je kunt een duur huis hebben of een grote aandelenportefeuille, maar toch onvoldoende geld om de rekeningen te betalen. ‘Asset-rich and cash-poor’. Daarom is het ook van belang om je Liquiditeit in de gaten te houden. In financieel jargon: kun je aan je kortlopende verplichtingen voldoen? In gewone mensentaal: kun je al je rekeningen betalen? Dit is de voornaamste functie van mijn financiële administratie. En het is de reden dat ik een aantal potjes heb. Een van de dingen die ik regelmatig met dit doel bekijk zijn mijn gemiddelde en laagste saldo per maand. Daar heb ik een standaardgrafiek voor in mijn administratiespreadsheet zitten.

Mijn Budget is ook een essentieel onderdeel van de financiële administratie. Daarmee bewaak ik of het geld wel naar de dingen gaat die ik belangrijk vind. Na bijna 20 jaar budgetteren heb ik inmiddels een aardig idee hoe dat werkt. Veel dingen zijn makkelijk te budgetteren, met name de vaste lasten. Maar ook in de variabele lasten valt er heel goed te budgetteren als je jouw eigen gedrag een beetje analyseert. En dan zie je het sneller als er afwijkingen ontstaan.

Ons huis is een belangrijk onderdeel van ons vermogen. En dat is dus ook iets om in de gaten te houden. De kern daarbij is de Loan-to-Value Ratio (LTV). Die is heel simpel te berekenen, ik hanteer de Resterende Hypotheek gedeeld door de meest recente WOZ-waarde. Maar daar zijn allerlei keuzes in te maken.

Verder vind ik de Resterende Aflostijd van onze hypotheek nog van belang. Die is dan ook altijd onderdeel van mijn hypotheekupdate.

De andere belangrijke component van mijn vermogen is mijn beleggingsportefeuille. Ook daar zijn dus enkele ratio’s aan gekoppeld. Redelijk eenvoudig allemaal, want ik heb een eenvoudige luie beleggingsstrategie.

Ik houd uiteraard de Actuele Waarde van mijn beleggingsportefeuille bij. Die wordt elke week bijgewerkt in mijn spreadsheet. En verder houd ik bij wat mijn Totale Inleg is geweest in mijn beleggingsportefeuille. Ik stort elke maand een bedrag waarmee ik bijkoop, en indexeer dat bedrag jaarlijks. De actuele waarde en de totale inleg komen samen in mijn favoriete beleggingsgrafiek.

Ik houd veel meer bij dan het lijstje hierboven. Maar dit zijn wat ik op dit moment de essentiële ratio’s vind.

Wat kun je allemaal nog meer bijhouden?

Je kunt beter vragen: wat zou je niet bij kunnen houden? Met Spaarpercentage, Eigen Vermogen, Liquiditeit, Budget, Loan-To-Value, Aflostijd, en de Waarde en Inleg in mijn beleggingen, heb ik zelf al een aardig rijtje verzameld.

Heb je veel schulden in jouw financiële plaatje, dan is het best verstandig om een paar ratio’s te gebruiken om die te volgen. Bijvoorbeeld Schulden versus Bezittingen. Je telt alle schulden bij elkaar op, hypotheek, studieschuld, creditcard, persoonlijke leningen, noem maar op. En ook alle bezittingen (waarde van je huis, spaargeld, beleggingen, et cetera). Vervolgens deel je de schulden door de bezittingen. Is de waarde groter dan 1, dan heb je meer schuld dan bezit. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang er elke maand voldoende geld binnenkomt om de schulden af te betalen. Maar het maakt je wel kwetsbaar als je bijvoorbeeld je inkomen kwijtraakt. Door deze ratio een tijdje te volgen (en geen nieuwe schulden te maken) wordt’ ie hopelijk steeds lager. Ik zit zelf rond de 0,26, met alleen een stuk resterende hypotheek.

In de financiën kennen we ook de Current Ratio. Die geeft aan of je in staat bent om aan je korte-termijn verplichtingen te voldoen. De Current Ratio wordt berekend door je contante bezittingen te delen door de korte-termijn verplichtingen. Contante bezittingen zijn die bezittingen die je eenvoudig op korte termijn in contant geld om kunt zetten. Je spaargeld, je beleggingsportefeuille (mits direct te verkopen via je broker), dat soort dingen. Niet j]de waarde van je huis dus. Je korte-termijn verplichtingen bestaan uit alle betalingen die je in het komende jaar moet voldoen voor je schulden. Een jaar aan hypotheekbetalingen bijvoorbeeld, en een jaar aan aflossing van andere schulden. De waarde van deze Current Ratio kan maar beter groter dan 1 zijn, want anders ben je niet in staat om het komende jaar aan je verplichtingen te voldoen.

Je kunt ook kijken naar het percentage van je inkomen dat je nodig hebt om je schulden te betalen, in het Engels ook wel Debt Service Ratio genoemd. Dat wil je natuurlijk het liefst zo laag mogelijk hebben. Boven de streep neem je jouw (netto) inkomen voor het hele jaar, en onder de streep de korte-termijn verplichtingen van de Current Ratio. Hoe lager de uitkomst, hoe beter jouw financiële gezondheid.

Ook afkomstig uit de financiële wereld is de Solvabiliteitsratio. Die bereken je door jouw Eigen Vermogen te delen door de totale waarde van jouw bezittingen. Dat geeft een indicatie of je met jouw bezittingen in staat bent om al jouw schulden te betalen. De Solvabiliteitsratio wil je zo hoog mogelijk hebben, of in elk geval stijgend door de tijd heen. Bij een daling ten opzichte van een jaar geleden is jouw financiële gezondheid verslechterd.

Tenslotte

Meer dan genoeg keuze dus. Maar Persoonlijke Financiën zijn geen exacte wetenschap, het wat mij betreft deels ook een kunstvorm. Bedenk ratio’s die passen bij jouw financiële situatie, en volg ze door de tijd heen. Zo krijg je een beeld van jouw eigen financiële gezondheid. Maar blijf ook nadenken en luisteren naar je gevoel! Want financiële ratio’s vertellen soms ook niet het volledige verhaal.

Welke financiële ratio’s gebruik jij? En hoe financieel gezond voel jij je?

Het einde van de No Spend Days

Een van de vele zinloze statistiekjes die mijn administratie voor mij bijhoudt zijn de No Spend Days (NSDs). Dat begrip heb ik niet zelf verzonnen, ik zag dat veel (Amerikaanse) bloggers dat ook bijhielden, en dan wil ik ook altijd weten hoe het in mijn situatie zit. NSDs zijn dagen waarop ik niks betaal met mijn creditcard, pinpas, Apple Pay, of contant geld.

Corona zorgde er het afgelopen jaar nog steeds voor dat het aantal NSDs hoger is dan ‘vroeger’. Gemiddeld had ik er toen een stuk of 10 per maand. In 2021 waren het er minimaal 20 per maand.

Maar toen ik tijdens mijn jaarafsluiting 2021 daar over nadacht, realiseerde ik mij dat dat heel erg logisch is. No Spend Days zijn steeds minder relevant. En dat zit in de definitie. Met de categorieën die ik daartoe reken gaat het grotendeels om uitgaven die ik buiten de deur doe. Maar ik doe steeds minder uitgaven buiten de deur. En dat komt niet alleen door de coronapandemie en de sluiting van de detailhandel. Ook voordat corona de wereld trof deed ik een groot deel van mijn aankopen al via het internet. Corona heeft die ontwikkeling alleen maar versneld.

De NSD is dus geen goede maatstaf meer om te meten op hoeveel dagen ik geld uitgeef, en hoeveel dagen per maand ik er in slaag om mijn portemonnee in mijn zak te houden. Want uitgaven via internet betaal ik regelmatig met mijn creditcard (die wel meetelt in mijn NSD-berekening), maar minstens net zo vaak gewoon via iDeal (die niet meetelt in mijn NSD-berekening). Dus de NSD houdt mijzelf een beetje voor de gek. Het gaat om wat ik uitgeef. Niet om wat ik buiten de deur uitgeef.

Dus heb ik een nieuwe indicator bedacht. De No Expense Days (NEDs). Dat zijn de dagen waarop ik geen enkele uitgave doe. Geen transacties naar ‘buiten’. Alleen transacties tussen mijn eigen rekeningen mogen wel, en inkomsten tellen ook niet mee. Maar elke boeking vanaf mijn bankrekening naar buiten telt mee.

Natuurlijk kan ik hier ook een beetje mee spelen. Online shoppen op de dagen dat mijn reguliere uitgaven worden geboekt, zoals het abonnement voor mijn telefoon. Maar de NED geeft een veel completer beeld van mijn uitgaven dan dat de NSD doet. En ik ben dol op statistiekjes. Dus heb ik deze ingebouwd in mijn administratie. Inclusief grafiek. Nog niet online, maar wel voor mijzelf.

Op basis van de macro die ik al had voor de NSD was de No Expense Day niet zo heel moeilijk om te programmeren. No Expense Days bereken ik per maand, op mijn lopende rekening. Dat zijn criterium 1 en 2. Daarna filter ik de uitgavenrekeningen in mijn administratie, criterium 3. En tenslotte tel je de afzonderlijke dagen waarop die transacties plaatsvinden, criterium 4. Het aantal dagen per maand minus het aantal dagen waarop ik uitgaven gedaan heb is het aantal NEDs per maand.

Uiteraard moeten er dan ook grafieken komen. Voor 2021 heb ik de No Spend Days en de No Expense Days naast elkaar gezet. Uiteraard is het aantal No Expense Days elke maand lager dan het aantal No Spend Days. Logisch, omdat alle uitgavencategorieën in de No Expense Days meetellen, en alleen de uitgaven buiten de deur in de No Spend Days.

In mijn kwartaalrapportages zul je dus vanaf heden de No Spend Days niet meer tegenkomen. Maar wel de No Expense Days. Als maatstaf voor mijn spaarzaamheid.

Kijk jij ook wel eens op een andere manier naar jouw uitgaven?

Statistiekenverwarring

Afgelopen jaar buitelden de politici over elkaar heen om ons verbeterde koopkracht te beloven. Dit bleek later nog wel ietwat tegen te vallen, in elk geval in mijn persoonlijke situatie. Maar sinds die tijd lijkt het wel alsof ik steeds meer publicaties zie over wat en hoe ‘de Nederlanders’ hun geld moeten besteden. Dat zal vast komen omdat ik er beter op let, maar toch… Het valt wel op.

Medio maart kwam het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) met het nieuws dat huishoudens gemiddeld meer dan de helft van hun inkomen kwijt zijn aan vaste lasten. De afgelopen tien jaar was dat niet eerder zo’n groot deel, zegt het NIBUD. Het bericht werd breed overgenomen in ‘de media‘.

Begin april meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat de woonlasten ten opzichte van het inkomen niet verder gestegen waren. Zij kijken dan naar de woonquote, de totale woonlasten als percentage van het besteedbaar inkomen. Voor huiseigenaren (de groep waar Geldnerd bij hoort) is de woonquote 29%. In een spreadsheet van het CBS vond ik terug dat zij de woonquote berekenen met de netto woonuitgaven: bij huurders betreft dit het huurbedrag verminderd met de eventuele huurtoeslag. Bij eigenaren betreft dit de hypotheeklasten, maar ook de onroerende zaak belasting (OZB) , opstalverzekering, onderhoudskosten en indien van toepassing de erfpacht.

Medio april schreef het Financieele Dagblad dat Nederlandse consumenten tegenwoordig meer geld uitgeven in vergelijking met 2008. Toch zijn we er niet op vooruit gegaan. Door prijsstijgingen krijgen huishoudens minder spullen en diensten voor hun uitgegeven euro’s, concludeert het economisch bureau van ING op basis van onderzoek. Nederlandse consumenten geven tegenwoordig meer geld uit in vergelijking met 2008 (tsja, inflatie…), maar zijn er toch niet op vooruit gegaan. Door prijsstijgingen krijgen huishoudens minder spullen en diensten voor hun euro’s. Dat was dan weer een conclusie van het economisch bureau van de ING. Je weet wel, die integere bank. Ik krijg altijd een beetje jeuk van dit soort berichten. Maar dat ligt aan mij. Ik krijg die jeuk ook als het in de Tweede Kamer over ‘de hardwerkende Nederlander’ gaat. Een term die politici alleen maar gebruiken om ons het gevoel te geven dat ze ons serieus nemen, maar die ze meteen weer vergeten als er onderhandeld moet worden over een nieuw regeerakkoord of iets dergelijks.

Eind april meldde het CBS vervolgens dat een steeds groter deel van de uitgaven van Nederlanders gaat naar primaire levensbehoeften. Dit is inmiddels ruim 32 procent. Bij eerste levensbehoeften verwijst het CBS naar zaken als huisvesting en voeding. Hoe ik dat dan weer moet rijmen met die woonquote van 29% weet ik nog niet helemaal.

De Raad van State waarschuwde onlangs dat huishoudens het deel van hun inkomen dat ze, in de vorm van diverse belastingen, afdragen aan de overheid de afgelopen jaren al behoorlijk hebben zien stijgen. Van elke euro die we verdienen, dragen we momenteel 39,6 cent af. Elk jaar wordt dat iets hoger. Volgens de Raad van State betalen we relatief veel belasting, en daardoor krijgen we minder te besteden.

Allemaal appels en peren die vergeleken worden. Verschillende posten die vergeleken worden, verschillende definities. Moeilijk dus om een vergelijking te maken en algemene conclusies te trekken. Maar wel leuk om mijn eigen situatie (n=1) weer eens te vergelijken met de statistiekjes.

Ik heb in elk geval even gekeken naar die woonquote van 29%, om precies te zijn naar twee varianten. Eentje met alleen onze reguliere aflossing, en eentje inclusief de extra aflossing die wij momenteel maandelijks doen. Mijn verwachting was dat onze woonquote lager zou zijn dan het gemiddelde. We hebben immers niet ‘maximaal’ gekocht, veel minder geleend dan op basis van onze inkomens zou kunnen. In 2018 was onze woonquote, exclusief de vrijwillige extra aflossingen op de hypotheek, volgens de definitie van het CBS 18,1%. Inclusief de extra aflossingen kwamen we uit op 25,8%, nog steeds ruim onder het gemiddelde van 29%. Ik heb ook nog even gekeken naar de situatie in 2008, heel lang geleden, mijn vorige leven. Destijds was mijn woonquote 20,1%. Iets hoger dan nu, maar nog steeds ruim beneden het gemiddelde.

Wordt jij nog wijs uit die wirwar van statistiekjes?

Oh, oh, die statistieken

Deze week had ik er weer eentje. Een persbericht met cijfers waarvan ik dacht: oppassen! Eerder heb ik ook al eens geschreven over hoe eenvoudig het is om te liegen met statistieken. Of in elk geval een situatie ‘anders’ voor te stellen.

Het gaat om dit bericht: Economie Eindhoven groeit sneller dan die van de Randstad. Het bruto binnenlands product (bbp) van de gemeente Eindhoven groeide in 2016 met 3,6 procent tegenover 2,2 procent gemiddeld in Nederland, zegt het bericht. Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag (samen de G4) moesten het doen met 2,2 tot 3 procent groei. Op zich een eerlijke weergave van de gegevens van het CBS. Maar…. Het zijn percentages. Percentages waarmee verschillende grootheden vergeleken worden.

Het BBP van Eindhoven was volgens het bericht ruim € 13 miljard. Op het totale Nederlandse BBP van volgens mij ongeveer € 620 miljard is dat nog steeds maar een procent of 2.

Stel je voor dat het BBP van de G4 een omvang heeft van 100 eenheden en het BBP van Eindhoven is 50 eenheden (ik gun Eindhoven ook wat). Die groei van 3,6% van Eindhoven voegt dus 1,8 eenheden toe aan de gezamenlijke economie. Zelfs als je voor de G4 met een groei van 2,2% rekent voegt dat 2,2 eenheden toe. De gezamenlijke economie groeit dan van 150 naar 154 eenheden, waarbij de G4 in absolute zin het meeste bijdragen. Dus ja, wat zegt het dan?

Dat roept ook weer direct de vraag op waarom zo’n statistiek gepubliceerd wordt. Dus ben ik bij het CBS even op zoek gegaan naar het originele persbericht. Wat is het belang? Sinds september 2016 werken de gemeente Eindhoven en het CBS samen in het CBS Urban Data Center Eindhoven. En dat moet natuurlijk af en toe gepromoot worden.

Ik neem het allemaal dus maar voor kennisgeving aan. Maar het is wel een goede reminder dat Nederland groter is dan de Randstad.

Heb jij recent nog twijfelachtige statistieken gezien?