Blog over (financieel) bewust leven

Categorie: Pensioen (Page 1 of 8)

Rekenen aan je pensioen met de A-factor?

Laat ik nou altijd gedacht hebben dat de A-factor iets te maken had met het beleggingsresultaat van het ABP… Maar dat is niet zo. Zelfs na 4,5 jaar bloggen en 17 jaar mijzelf verdiepen in mijn persoonlijke financiën, valt er nog steeds van alles te leren.

Jaren geleden heb ik al eens geschreven over de A-factor. A staat voor Aangroei, en het geeft aan hoeveel pensioen je in een bepaald jaar hebt opgebouwd. In artikel 15 lid 1 van het Uitvoeringsbesluit Inkomstenbelasting 2001 staat dat je ieder jaar door je pensioenverzekeraar geïnformeerd moet worden over de ‘aan het kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan hem toekomende aanspraken die recht geven op een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom, voor zover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in dat voorafgaande kalenderjaar’. Oftewel, hoeveel pensioen heb je in dat kalenderjaar opgebouwd?

De A-factor is nodig om de fiscale jaarruimte te berekenen voor de aftrek van betaalde lijfrentepremies. Maar is het ook een recht? Geeft het mij vanaf mijn pensioendatum ook daadwerkelijk recht op een pensioen ter waarde van dat bedrag voor de rest van mijn leven? Is mijn beschikbare bruto pensioen dat ik ‘straks’ jaarlijks ontvang gelijk aan de som van die pensioenaangroei per jaar, van de som van die A-factoren? Dat heb ik nergens expliciet kunnen vinden, terwijl ik toch de pensioenwet en het pensioenreglement van het ABP doorgeplozen heb. Het lijkt er wel op, maar onder het voorbehoud dat slechte beleggingsresultaten of lange periodes met lage rentes (zoals de afgelopen jaren) er niet voor zorgen dat het pensioen gekort moet worden. Of, stel je voor dat dat ooit weer gaat gebeuren, dat goede resultaten er voor zorgen dat je pensioen weer eens geïndexeerd wordt voor inflatie.

Ik heb het nergens expliciet kunnen vinden, maar het lijkt erop dat mijn toekomstig pensioen gelijk is aan de som van mijn A-factoren minus kortingen plus indexeringen. De opgebouwde rechten zijn onvoorwaardelijke verplichtingen van het fonds aan de deelnemers, lees ik op pagina 96 van het meest recente jaarverslag van het ABP Ik ga toch nog eens uitzoeken of dat ook echt zo is. En ik erger me steeds vaker aan het totale gebrek aan transparantie in ons pensioenstelsel, aan die mist die overal overheen ligt en die voorkomt dat duidelijk wordt waar je nou eigenlijk wel of niet recht op hebt. Alleen al uitzoeken hoe het in elkaar zit kost een hele berg tijd.

Bereken je eigen A-factor

Tijdens mijn recente onderzoekje naar het pensioengevend salaris heb ik eindelijk ontdekt hoe die A-factor tot stand komt. Die is dus helemaal niet afhankelijk van welk beleggingsresultaat dan ook. Het is gewoon afhankelijk van je salaris en wat wet- en regelgeving. De formule is zelfs redelijk simpel:

A-factor = ( Pensioengevend Salaris -/- Franchise ) * Opbouwpercentage * Deeltijdpercentage

Wat het Pensioengevend Salaris is en hoe het berekend wordt, daar heb ik onlangs uitgebreid over geschreven.

Bij pensioenverzekeringen is de Franchise het deel van het salaris waarover geen pensioen wordt opgebouwd en daarom ook geen pensioenpremie wordt betaald. Het van oorsprong Franse woord franchise (vrijdom) is via het Engels in het Nederlands terechtgekomen, en is afgeleid van franc (vrij). Het pensioen wordt gezien als een aanvulling op de AOW-uitkering (ik zie het eerder andersom). De aanname is dan dat het pensioen niet eerder ingaat dan bij het bereiken van de AOW-leeftijd. Door een Franchise van het salaris af te trekken voorkom je een dubbeling, anders zou het zo zijn dat je AIOW-premie betaalt en daarnaast over hetzelfde (deel van het) salaris ook nog eens pensioenpremie. De vakterm hiervoor is ‘AOW-inbouw’.

Het Opbouwpercentage is voor deelnemers van het ABP hier te bekijken. Het is de afgelopen jaren enkele keren gewijzigd. Het huidige fiscaal maximale opbouwpercentage van 1,875% zorgt ervoor dat je in veertig jaar een ouderdomspensioen opgebouwd van ongeveer 75% van je gemiddelde pensioengevend salaris gedurende je loopbaan. Hoe dat maximum tot stand gekomen is was even graven, maar het is onderdeel van het Witteveenkader. Ik had er nog nooit van gehoord. Dat opbouwpercentage vind je dan weer in Artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964. Lid 1 zegt dat een op een eindloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen per dienstjaar niet meer dan 1,657 percent van het pensioengevend loon bedraagt. En lid 2 leert mij dat een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen per dienstjaar niet meer dan 1,875 percent van het pensioengevend loon bedraagt.

Het Deeltijdpercentage is van belang als je parttime werkt. Ik heb een 36-uurs contract, dat noemen we bij de overheid voltijds. Mijn deeltijdpercentage is dus 100%.

Narekenen

Kijk, met dit soort gegevens kun je aan de slag. Uiteraard is Geldnerd begonnen met het narekenen van de jaarlijkse A-factor die hij van het ABP krijgt. Ik heb die gegevens sinds 2006. Voor de meeste jaren komt er keurig hetzelfde bedrag uit, waarbij ik er de laatste jaren wel rekening mee moet houden dat mijn pensioengevend salaris boven het maximum ligt waarover pensioen opgebouwd mag worden. Maar er waren twee jaren waar ik zelf, met de formule, uitkwam op een hoger bedrag dan wat ik volgens het Uniform Pensioen Overzicht recht op had: 2013 en 2014. In mijn archief vond ik geen correspondentie van het ABP of van mijn werkgever op basis waarvan ik dat verschil kon verklaren.

Dus heb ik maar eens een keurige brief geschreven aan het ABP. Liever had ik ze gemaild, maar dat kan niet. Je mag bellen of een brief sturen. In de brief de gegevens waarover ik beschikte en de verschillende uitkomsten, met de vraag of zij mij kunnen verklaren wat de reden is van het verschil tussen mijn berekeningen en de gerapporteerde A-factor voor deze twee jaren. Ik kreeg netjes binnen twee weken antwoord. Dat kwam dan wel weer per e-mail.

Vanaf 1 januari 2014 bleken de fiscale regels voor pensioenopbouw en lijfrenteaftrek gewijzigd. Daar stond een zinnetje over in mijn Uniform Pensioenoverzicht uit 2014, diep weggestopt in de bijlage. Om te voorkomen dat de factor A de fiscale ruimte voor lijfrentes in 2014 beperkt, is de berekening iets gewijzigd: de pensioenaangroei over 2013 is vermenigvuldigd met de factor 35/37. Vanaf 1 januari 2015 zijn de fiscale regels voor pensioenopbouw en lijfrenteaftrek nogmaals gewijzigd, ook dat was diep weggestopt in de bijlage. De pensioenaangroei over 2014 is vermenigvuldigd met de factor 37/40. Als ik die correcties toepas, dan kloppen de A-factoren voor die twee jaren. Hoe deze factoren berekend zijn? Daar zal ik wel nooit achter komen… De betreffende bekendmakingen vind je hier en hier. Wie in Nederland heeft er nou geen abonnement op de Staatscourant? Hier in Huize Geldnerd lezen we ‘m elke dag van voor naar achter en weer terug (Not!).

Voorspellen

Ja, en dit biedt toch wel mogelijkheden. Want Geldnerd is natuurlijk stilletjes van plan om eerder te stoppen met werken dan op z’n officiële pensioendatum. En bij het ABP kun je geen indicatie krijgen hoe hoog je pensioen is als je bijvoorbeeld op je 50e of 55e stopt met inleggen. En als je niet weet hoe hoog je pensioenuitkering is , dan weet je ook niet hoe hoog je vermogen moet zijn om dat onbekende pensioen aan te vullen. Het is een van de dingen waar ik tegenaan liep tijdens het ontwikkelen van mijn FIRE Calculator.

Toch heb ik het daar niet zo slecht gedaan, ik laat de A-factor in mijn rekenmodel meestijgen met hetzelfde percentage als je gemiddelde verwachte salarisstijging. En in mijn model geef je aan in welk jaar je wilt stoppen met werken. Dan stopt de pensioenopbouw. Dat geeft dus een benadering van je te verwachten bruto pensioen, behoudens indexatie, kortingen, en de ontwikkeling van de franchise.

Kijk jij ook wel eens naar jouw pensioen?

Het raadsel van mijn pensioengevend salaris

Ik heb iets over het hoofd gezien. En het raadsel van mijn pensioengevend salaris is daarmee opgelost. Maar er blijven nog wel wat aandachtspunten over… Vorige week schreef ik over mijn pogingen om de cijfertjes op mijn salarisbrief te verklaren. Die, tot mijn grote frustratie, niet succesvol waren. Op dat moment was ik al een week of vier aan het corresponderen met de personeels- en salarisadministratie van de Rijksoverheid. Wat me ook een beetje ergerde. Want ik vind er al wat van dat dingen niet transparant en eenvoudig herleidbaar zijn. Maar dat de mensen ‘die erover gaan’ ook niet in staat zijn om snel en eenvoudig uit te leggen hoe iets in elkaar zit, vind ik een zorgwekkende ontwikkeling.

Tijdens mijn zoektocht naar antwoorden kwam ik onder andere terecht op de website ABPpensioen.nl. Zeer leerzaam en nuttig, maar verre van geruststellend. En toen las ik ook nog een artikel in het FD over een debat tussen de Tweede Kamer en minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die verantwoordelijk is voor de pensioenen. Dat debat ging over fouten in de pensioenadministraties. Het versterkt allemaal mijn beeld dat we de dingen veel te complex maken om maar te proberen om iedereen tevreden te stellen. En als niemand het dan meer begrijpt zijn we ook nog verbaasd dat er geen ‘draagvlak’ meer is. No shit Sherlock….

Pensioengevend Salaris 2020 verklaard

Maar goed, hoe zit het nu met mijn pensioengevend salaris? Het salaris dat gebruikt wordt om mijn pensioenpremie mee te berekenen, en dat fors hoger was dan ik kon reconstrueren. Ik heb iets over het hoofd gezien. Het pensioengevend salaris bestaat, volgens de website van het ABP, uit 12 keer mijn brutosalaris van januari inclusief vakantiegeld (wat dus maar een deel van mijn IKB is), vaste toelagen en variabele toelagen van het voorgaande jaar daarvoor. Uiteindelijk kom ik eruit na een nieuwe mail van P-Direkt. Hoe moest ik het nu berekenen?

A12 * bruto maandalaris van januari 2020
B+Vakantiegeld= 8,00% * A
C+Eindejaarsuitkering = 8,37% * A
D+Eenmalige toelage CAO uit januari 2019€ 450
E+Brutobedrag uitbetaling Verlofuren 2019
F=Pensioengevend Salaris 2020

Het verschil zat ‘m in die uitbetaling van de verlofuren. Ik had nog een stuwmeertje staan, en die heb ik in de zomer van 2019 via de oude regeling uit laten betalen. ‘U bent toch meer gaan werken?’ schreef de servicedesk in de toelichting bij hun antwoord. Ik snap hun redeneerlijn, ik verkoop verlof dus moet meer uren maken. Nou heb ik niet het gevoel dat ik een uurtje minder gewerkt zou hebben als ik het verlof niet verkocht zou hebben. Maar goed, dat verklaart het verschil. Ik kom nu op de cent nauwkeurig uit op het bedrag van het pensioengevend salaris zoals ik dat vind op mijn salarisbrief van januari 2020. Toch een geruststelling.

Pensioenpremies

En hiermee kan ik ook mijn pensioenpremies verklaren. De formule van de premie ouderdomspensioen/nabestaandenpensioen is:

Pensioenpremie = premiepercentage x ( ( pensioengevend salaris – franchise ) / 12 maanden )

Voor 2020 is het premiepercentage dat ik als medewerker betaal 7,47%, en de franchise bedraagt € 14.200. En omdat mijn pensioengevend salaris 2020 hoger is dan het maximum pensioengevend salaris van € 110.111, moet ik op de plek van pensioengevend salaris in de formule dat bedrag van € 110.111 invullen. En dan klopt het.

De formule van de premie arbeidsongeschiktheidspensioen is ook:

Pensioenpremie = premiepercentage x ( ( pensioengevend salaris – franchise ) / 12 maanden )

Het premiepercentage voor 2020 is hier 0,21%, en de franchise is € 21.400. Maar voor het arbeidsongeschiktheidspensioen geldt niet de maximumgrens van € 110.111, ik moet mijn echte pensioengevend salaris invullen in de formule. En dan klopt ook deze premie tot op de cent.

Maar toch…

Toch blijven er een paar dingen knagen.

Het duurde erg lang voordat ik antwoord kreeg op mijn vragen, en toen ik dat uiteindelijk kreeg was het in een overzicht met ingewikkelde en niet uitgelegde termen als ‘Vloer VU’, ‘Nom 12x nom’, ‘Vaste componenten ex VU’. Dat was nergens voor nodig. Ik heb er uiteindelijk zelf het (volgens mij) leesbare tabelletje van gemaakt dat ik hierboven gebruik. Eigenlijk vind ik dat dit soort dingen, in januari op je salarisbrief, of in elk geval in je online dossier, standaard opvraagbaar moeten zijn. Dat zou leiden tot een beter begrip, en zou volgens mij helpen om het draagvlak voor de pensioenregelingen te verbeteren.

Daarnaast heeft dit me ook aan het denken gezet. Het verkopen van verlof vond ik al onaantrekkelijk, want het wordt belast tegen het belastingtarief voor bijzondere beloningen. Dat bedroeg in mijn situatie in 2019 maar liefst 51,75%, en in 2020 is het zelfs 55,5%. Een veel hoger tarief dan waartegen mijn reguliere salaris wordt belast. En nu realiseer ik me ook nog eens dat ik, door het verkopen van het verlof, in het daaropvolgende jaar een hoger pensioengevend salaris heb. En daarmee op jaarbasis enkele honderden Euro’s extra aan pensioenpremie moet betalen. En dan heb ik nog het ‘geluk’ dat mijn pensioengevend salaris boven het maximumbedrag uitkomt, waardoor de extra premie ‘afgetopt’ wordt. Als ik over het hele bedrag pensioenpremie zou moeten betalen, dan was er nog eens een paar honderd Euro per jaar aan pensioenpremie bovenop gekomen. Dat maakt het verkopen van verlofuren dus nog minder aantrekkelijk. Ik bouw hiermee natuurlijk wel wat extra pensioen op, maar ik moet nog maar afwachten hoe dat uiteindelijk uitpakt.

Eén raadsel is nu opgelost. Maar die Afbouw Heffingskorting is nog niet verklaard. Er is dus nog veel te doen.

Heb jij jouw salarisbrief al nagerekend?

Ga je salarisbrief narekenen!

Elk jaar, aan het eind van januari, schrijf ik over mijn nieuwe salaris. Tot nu toe keek ik alleen naar het bedrag onder de streep. Ik zette wel op een rijtje wat er veranderd was in het belastingstelsel en de pensioenpremie, maar daar bleef het dan wel bij. Tot dit jaar.

Want er gebeurde iets vreemds. Mijn pensioenfonds, het ABP, had trots verkondigd dat de premie voor het arbeidsongeschiktheidspensioen licht omhoog zou gaan, met 0,4%-punt. De overige premies (voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen en voor voorwaardelijk pensioen) zouden dit jaar ongewijzigd blijven. Het staat er echt.

En toch zag ik iets heel anders op mijn salarisbrief. Mijn premie voor het arbeidsongeschiktheidspensioen verdubbelde bijna, en de premie voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen steeg met 2,3%. Dat zijn heel andere getallen. Die ik ook niet kon koppelen aan de CAO-wijzigingen en de veranderingen in het belastingstelsel.

En dat knaagde. Het knaagde zo erg dat ik me ben gaan verdiepen in elk getalletje op mijn salarisbrief. Er ging een wereld voor me open. Lees mee en huiver.

De rechterkolom

In de rechterkolom staan een aantal bedragen en een aantal feitelijke gegevens over mijn arbeidsovereenkomst met de Rijksoverheid. Die feitelijke gegevens zijn eenvoudig. Mijn BSN-nummer, mijn salarisschaal en trede, en mijn bankrekeningnummer. Ook staat er de arbeidsduur in uren per week. En er staat dat ik een schriftelijke arbeidsovereenkomst heb voor onbepaalde tijd, en geen oproepkracht ben.

Er staat ook een bruto-uurloon. Dat kan ik reconstrueren. Ik neem 12 maanden keer mijn bruto maandsalaris. Dat deel ik door 52 weken keer mijn arbeidsduur in uren per week.

Daarnaast wordt ook het minimumloon standaard op mijn salarisbrief vermeld, geen idee waarom eigenlijk? Er staat een bedrag van € 1.653,60. En voor mijn leeftijdscategorie ’21 jaar en ouder’ is dat inderdaad het juiste bedrag in 2020.

Grondslag SV-Loon

Het Sociaal Verzekeringsloon (SV-loon) wordt berekend door het bruto salaris te verlagen met de bruto inhoudingen en pensioenpremies, en het daarna te verhogen met de bruto toelagen. Bruto inhoudingen heb ik niet. Wel pensioenpremies, die ik van mijn bruto-salaris aftrek. En de brutotoelagen bestaan uit de Betaling IKB, dus die tel ik dan weer op. En ook hier klopt het bedrag.

Bijzonder Tarief Loonheffing

Ook staat er op mijn brief een Bijzonder Tarief Loonheffing vermeld, 55,5%. Dat is het tarief waarop mijn bijzondere beloningen (de dertiende maand en eventuele extra beloningen) belast worden. Daarvoor moet ik naar de website van de Belastingdienst. Ik heb de versie voor 2020 gebruikt, woonland Nederland, tabel voor Bijzondere Beloningen voor een Standaardsituatie. Dan kun je kiezen tussen wit en groen. De witte tabellen gaan over loon uit een huidige baan. De groene tabellen gaan over loon uit vroegere dienstbetrekking. Ik heb dus voor Wit gekozen. In de tabel die je dan kunt downloaden zoek je jouw Jaarlooncategorie op (12 maal je bruto maandsalaris). In mijn situatie is sprake van heffingskorting (zie ook hierboven), ik kijk dus naar de kolommen met loonheffingskorting. Daar zie ik een standaardtarief van 49,5% en een verrekeningspercentage loonheffingskorting van 6%. Samen is dat 55,5%. In 2019 was dat in mijn situatie nog 51,75%. Oef….

Jaarinkomen pensioen

Eén van de dingen waarmee we het in Nederland ingewikkeld maken, is dat we voor elke regeling een andere grondslag bedenken. Een andere basis, waar we dan weer van alles op gaan baseren. In ons pensioenstelsel kennen we het ‘pensiooengevend salaris’. Gelukkig is er de website van het ABP. Daar lees ik dat mijn Pensioengevend Salaris elk jaar in januari wordt vastgesteld. Het bestaat uit 12 keer mijn brutosalaris van januari inclusief vakantiegeld (wat dus maar een deel van mijn IKB is), vaste toelagen (die ik volgens mij niet heb) en variabele toelagen van het voorgaande jaar daarvoor (die ik volgens mij ook niet heb). Het zou in mijn Uniform Pensioen Overzicht (UPO) moeten staan, maar het UPO over 2020 krijg ik volgend jaar pas. Dus ga ik zelf maar even rekenen en experimenteren.

Variabele toelagen heb ik niet, voor zover ik mij bewust ben. En volgens mij is de enige vaste toelage de 8,30% van voorheen de eindejaarsuitkering, nu een deel van IKB. Ik neem dus braaf mijn bruto maandsalaris maal 12 maanden, en tel daar 8,00% vakantiegeld en 8,30% eindejaarsuitkering (tegenwoordig dat Individueel Keuze Budget) bij op.

Huh? Ik kom uit op een véél lager bedrag…. Eens kijken of dit duidelijk wordt als ik mij dadelijk richt op de linkerkolom van mijn salarisbrief.

Afbouw Heffingskorting

De heffingskorting is wat mij betreft een uitvinding om het belastingstelsel complexer te maken. En op mijn salarisbrief staat dan ook nog een bedrag aan Afbouw Heffingskorting. Die krijg ik niet gereconstrueerd. Ik heb op allerlei manieren naar de formules gekeken, maar kom niet uit op het bedrag dat daar staat. Het schijnt ook afhankelijk te zijn van het bedrag aan belasting dat mijn fiscale partner verschuldigd is. Bizar dat we met z’n allen accepteren dat er getallen op onze salarisbrieven staan die niet te herleiden zijn?

De linkerkolom

In de linkerkolom van mijn salarisbrief wordt mijn bruto-salaris in een aantal stappen omgerekend naar mijn netto-salaris. Die stappen bestaan uit de Loonheffing, het IKB-budget en de diverse pensioenpremies.

Bruto-salaris

Allereerst mijn bruto-salaris. Dat is simpel te verifiëren. Ik val onder de CAO voor rijksambtenaren. En ik weet in welke salarisschaal en trede ik val. Dus kan ik gewoon opzoeken welk bruto-salaris daarbij hoort. Gelukkig kwam het bedrag op mijn salarisbrief overeen met het bedrag dat voor mijn schaal en trede in de tabel staat.

Loonheffing

Alle belastingen worden tegenwoordig jaarlijks bij elkaar geknutseld in één loonheffing. Daar wordt het eenvoudiger van, maar niet meteen transparanter. Jaarlijks publiceert de Belastingdienst ook hiervoor een nieuwe tabel. Ik heb de versie voor 2020 gebruikt, woonland Nederland, tijdvaktabel voor Standaardsituaties. Dan kun je kiezen tussen wit en groen. De witte tabellen gaan over loon uit een huidige baan. De groene tabellen gaan over loon uit vroegere dienstbetrekking. Ik heb dus voor Wit gekozen. Als tijdvak kies ik voor Maand, want ik krijg maandelijks mijn salaris uitbetaald.

In de tabel die je dan downloadt zoek je in de kolom Tabelloon jouw bruto salaris op. Ik heb Loonheffingskorting en ben, ondanks dat ik Opa Geldnerd genoemd word, jonger dan de AOW-leeftijd. In de betreffende kolom kan ik dus zien welk bedrag aan Loonheffing er op mijn salarisbrief zou moeten staan. En dat klopt.

Ik ga binnenkort nog wel eens een keer kijken hoe die loonheffing precies is opgebouwd. Nu eerst naar de IKB en de pensioenpremies, want daar is deze hele exercitie immers om begonnen.

Betaling IKB

Het Individueel Keuzebudget (IKB), de opvolger van het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering voor rijksambtenaren. En daarmee is het er niet eenvoudiger op geworden. Op de website van P-Direkt, de centrale personeels- en salarisadministratie van de Rijksoverheid, lees ik dat het IKB-budget 16,37% van mijn salaris is, te weten de vakantie-uitkering van 8,00%, de voormalige eindejaarsuitkering van 8,30%, en de gekapitaliseerde waarde van de vervallen mobiliteitstoeslag en telewerkvergoeding van samen 0,07%.

Ik neem dus 16,37% van mijn bruto-salaris, en inderdaad! Ook dit bedrag klopt.

Premie ABP Ouderdomspensioen / Nabestaandenpensioen (OP/NP)

Nu wordt het ingewikkelder. De pensioenpremie. Daar vertelt de website van de rijkssalarisadministratie niet zo heel veel over. Dus verplaatste ik mijn aandacht weer naar de website van mijn pensioenfonds, het ABP. Daar lees ik dat ik en mijn werkgever voor het Ouderdoms- en nabestaandenpensioen 24,9% premie betalen. Mijn werkgever 17,43% en ik 7,47%. Beide premies worden berekend over mijn Pensioengevend Salaris nadat deze verminderd is met de Franchise. Wat een termen…

De formule zou moeten zijn:

Pensioenpremie = premiepercentage x ( ( pensioengevend salaris – franchise ) / 12 maanden )

Voor 2020 is het premiepercentage dat ik als medewerker betaal 7,47%, en de franchise bedraagt € 14.200. Maar wat ik ook probeer met de salariscomponenten, niets komt uit op het getal dat ik op mijn salarisbrief van januari 2020 zie staan. Ik kom voortdurend lager uit. Wat zie ik over het hoofd? Ook de salarisbrieven van 2019 erbij gepakt en kijken of ik ergens een toelage mis?

Ten einde raad draai ik het maar om. Ik pak de pensioenpremie die op mijn salarisbrief staat, en gebruik de formule:

Pensioengevend salaris = ( ( 100% / premiepercentage ) x pensioenpremie x 12 maanden ) + franchise

En dan ontdek ik dat inderdaad voor mijn pensioengevend salaris een bedrag van € 110.111 wordt gehanteerd. Dat is wel even iets meer dan ik als salaris verdien. Maar het bedrag komt me bekend voor. Het is het maximum bedrag waarover je in 2020 pensioen op kunt bouwen bij het ABP. Huh? Het verklaart ook waarom ik er in de rechterkolom met het Jaarloon Pensioen niet uitkom. Want dat ligt nog weer hoger dan dit maximumbedrag.

Premie ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen (AP)

Ik besluit om de premie van het Ouderdomspensioen en Nabestaandenpensioen even te laten rusten, en richt mijn aandacht op dat andere ABP-regeltje op mijn salarisbrief, de premie voor het arbeidsongeschiktheidspensioen. Daarvoor geldt in 2020 voor werknemers van de Rijksoverheid een premiepercentage van 0,21% en een franchise van € 21.400, lees ik bij het ABP. In 2019 was het premiepercentage overigens nog 0,12%. Dat verklaart dus wel de enorme stijging op mijn salarisbrief, maar ik ben nog steeds benieuwd waar de 0,4 procentpunt uit het persbericht van het ABP vandaan komt.

Wijs geworden door de vorige categorie (of teleurgesteld, dat is misschien een beter woord), gebruik ik ook hier eerst de formule

Pensioengevend salaris = ( ( 100% / premiepercentage ) x pensioenpremie x 12 maanden ) + franchise

En hier kom ik zelfs uit op een hoger getal, duizenden euro’s boven het maximaal pensioengevend salaris. Ongeveer op het getal dat er als Jaarloon Pensioen in de rechterkolom staat. Huh in het kwadraat?

Nerd with a mission!

En ja, dan wordt de activistische ambtelijke nerd in mij wakker. Onrecht! Onduidelijkheid! Complexiteit! Gebrek aan transparantie! Allemaal dingen waar ik in mijn dagelijks werk tegen strijd. Of misschien zie ik gewoon iets over het hoofd? Dat kan natuurlijk ook…

En gelukkig hebben wij ambtenaren P-Direkt. De centrale personeels- en salarisadministratie van de Rijksoverheid. Ten strijde, als ware ik Don Quichot met de windmolens! Ik heb mijn vraag ‘kunt u mij uitleggen hoe de pensioenpremies op mijn salarisbrief berekend worden?’ dus schriftelijk ingediend en kreeg een keurige ontvangstbevestiging, waarin stond dat men ernaar streefde om binnen 5 werkdagen antwoord te geven. Soms zijn ambtelijke molens best fijn. Ze malen traag maar wel gestaag.

Nou, dat haalden ze dus niet.

De tussenstand van deze #nerdmission is dat de Rijkssalarisadministratie inmiddels al vier werkweken bezig is met de beantwoording van de vraag hoe mijn pensioenpremies berekend worden. Ik heb al twee keer een geautomatiseerde mail gekregen ‘dat het helaas iets langer duurt’. Afgelopen week stuurden ze mij een berekening, maar gewoon eentje die uitging van het Jaarloon Pensioen op mijn salarisbrief. Ik heb ze dus mijn eigen berekening van het jaarloon gestuurd, en gevraagd hoe zij op dat hoge jaarloon komen. Daar zullen ze vast en zeker rustig nog een paar weken over gaan doen. Maar ik ga volhouden! #hierzitnogeenblogpostin

Ook over de Afbouw Heffingskorting heb ik een schriftelijke vraag gesteld. Ook daar wacht ik nog op antwoord.

Voor alle collega’s die ook hun pensioen opbouwen bij het ABP: Tijdens mijn onderzoeken vond ik een website van een (oud-)collega die een schatkamer vol informatie verzameld heeft over het ABP. Het lijkt erop dat ik alle reden heb om nog even vol te houden, net zo lang tot ik het begrijp.

Wordt vervolgd dus. Ga jij nu ook je salarisbrief narekenen?

De overheid en eerder stoppen met werken

De overheid is niet altijd een betrouwbare partner. Ik schreef er al over toen Geldnerd nog maar net bestond. En op weinig onderwerpen is dat zo zichtbaar als wanneer je eerder wilt stoppen met werken. Eerder stoppen met werken is een thema waar je behoefte hebt aan rust en stabiliteit in regelgeving. Zodat je rustig voort kunnen bouwen op jouw eigen ingeslagen weg. Zonder dat nieuwe regels of het afschaffen van bestaande regels roet in het eten gooien.

En juist op dit onderwerp maken we er een zooitje van. Eigenlijk snap ik dat wel. Door de vergrijzing wil de overheid dat we langer doorwerken, zo veel mensen die zo lang niet werken is onbetaalbaar voor de samenleving. Maar natuurlijk zijn er rebellen die moedig weerstand bieden. Mensen die blijven proberen om eerder te stoppen met werken. En de overheid doet z’n uiterste best om dat zo moeilijk en fiscaal onaantrekkelijk mogelijk te maken. In elk geval voor mensen in loondienst. Ondernemers hebben weer andere mogelijkheden om hun pensioen op te bouwen, ook in (soms) meer of (vaak) mindere mate fiscaal aantrekkelijk.

Geldnerd is in 1995 gestart met zijn loopbaan. Vanaf dat punt zou hij, tegen de toenmalige regels, zo’n 40 jaar hebben moeten werken. Dat betekent dat je als loonslaaf liefst ook 40 jaar stabiele regelgeving hebt. Zodat je, als je aan een regeling begint te betalen met als doel om eerder te stoppen, erop kunt vertrouwen dat je er ook de hele looptijd gebruik van kunt maken. Ik ben er eens in gedoken, en heb op een rijtje proberen te zetten welke regelingen er in mijn werkzame leven zoal geweest (en gesneuveld) zijn. Het overzicht is erg vereenvoudigd. Als je er induikt, vind je namelijk allerlei uitzonderingen en overgangsregelingen om de pijn te verzachten voor mensen die de boot ‘net’ gemist hebben. Maar daar heb ik me maar even niet in verdiept. Ik heb de boot namelijk in de meeste gevallen ruim gemist.

Niet verwonderlijk dus dat ik een jaar of 15 geleden heb besloten om alles dan maar in eigen beheer op te lossen, met één centrale pot aan spaargeld en beleggingen. Veilig in Box 3 van de Inkomstenbelasting. Dat dacht ik tenminste

Vervroegde Uittreding (VUT)

Vervroegde uittreding (VUT) was een regeling die vervroegd stoppen met werken mogelijk maakte. Je kreeg dan een uitkering vanaf het moment van het stoppen met werken tot aan het moment waarop een AOW-uitkering en aanvullend pensioen inging. De werkgever en/of de werknemers betaalden de uitkeringen van de ex-werknemers die op dat moment in de VUT zaten, hetzelfde omslagstelsel dat we in Nederland ook voor de AOW hanteren. Deze regeling werd ingevoerd in 1980, en liep al op z’n einde toen Geldnerd de arbeidsmarkt betrad. Vanaf midden jaren negentig waren er vooral overgangsregelingen.

Om eerder stoppen met werken niet te stimuleren heeft de Wet van 24 februari 2005, houdende wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet arbeid en zorg en van enige andere wetten (Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling), kortweg Wet VPL, met ingang van 2005 (2006 voor op 31 december 2004 al bestaande regelingen) VUT fiscaal onaantrekkelijk gemaakt. Wat een juridische mond vol… Ook is het niet meer mogelijk om fiscaal gefaciliteerd prepensioen op te bouwen.

Levensloopregeling

Levensloop‘ is op 1 januari 2006 in Nederland ingevoerd met die eerder genoemde Wet aanpassing fiscale behandeling VUT- en prepensioenregelingen en introductie levensloopregeling (Wet VPL). Het is een fiscale regeling om het sparen voor inkomen tijdens een periode van onbetaald verlof fiscaal voordeliger te maken. “Onbetaald” wil zeggen dat geen salaris uitbetaald wordt, in de plaats daarvan ontvangt de werknemer een uitkering uit zijn eigen levenslooptegoed. Ik vond het toen al een doekje voor het bloeden, en ben er nooit ingestapt. Sinds 1 januari 2012 is de regeling niet meer beschikbaar voor nieuwe deelnemers, Slechts 6 jaar dus.

Werknemers die in 2011 al deelnamen aan de levensloopregeling en op 1 januari 2012 een saldo hadden van minstens € 3.000 mogen jaarlijks maximaal 12% van hun jaarsalaris inleggen. Werknemers die op 1 januari 2005 minimaal 50 jaar oud waren, maar nog geen 55, mogen meer sparen dan 12% per jaar. Voor alle werknemers geldt dat zij in totaal niet meer mogen inleggen dan 210% van het jaarsalaris. De levensloopregeling is zoals gezegd ingevoerd met de eerdergenoemde Wet VPL, dezelfde wet waarmee de fiscale faciliteiten voor VUT en prepensioen afgeschaft zijn.

Flexibel Pensioen en Uittreden

Speciaal voor ambtenaren en onderwijzend personeel was er Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU). De regeling werd op 1 april 1997 ingevoerd. De FPU-rechten bestonden uit een basisdeel gefinancierd door middel van het omslagstelsel en een opbouwdeel gefinancierd via een kapitaaldekkingsstelsel. Ook hier gooide de Wet VPL (‘Vergeet je Pensioen maar, Lekker puh’ denk ik inmiddels) roet in het eten. Maar ik heb daarna nog jaren op mijn salarisstrook verplicht een bijdrage geleverd aan de collega’s die al wel van de FPU gebruik maakten.

Spaarloon en Premiesparen

Op 1 januari 1994 kregen we de Wet Bedrijfsspaarregelingen, en die bracht ons de premiespaarregeling en de spaarloonregeling. De premiespaarregeling sneuvelde weer begin 2003, in de toenmalige bezuinigingsdrift van het kabinet-Balkenende. De regeling was een fiscaal vriendelijke vorm om medewerkers te belonen, zonder dat dit leidde tot structureel hogere loonkosten en pensioenlasten.

De premiespaarregeling werd overigens ingevoerd om een sterke loonstijging te voorkomen. In plaats van loonstijging kregen werknemers binnen veel bedrijven jaarlijks een premie van € 526 van de werkgever. Voorwaarde was dat de werknemer zelf ook eenzelfde bedrag op een spaarrekening stortte. Deze regeling was aantrekkelijk voor de werkgever omdat er de bijdrage was vrijgesteld van loonbelasting en sociale premies. Ook de werknemer profiteerde van de regeling omdat het ‘rendement’ 100 procent bedroeg op de ingelegde spaargelden.

De wetswijziging maakte niet automatisch een einde aan de bestaande regelingen, maar alleen aan de fiscale voordelen die eraan zijn verbonden. Het effect is hetzelfde wat mij betreft.

Overige regelingen

Er zijn natuurlijk ook nog de (steeds verder uitgeklede) Lijfrentes en het Banksparen. En laten we niet vergeten dat ondertussen ook nog de meeste pensioenregelingen (inclusief de mijne) omgezet zijn van een Eindloonregeling naar een Middelloonregeling. En bij de meeste pensioenfondsen heb je ook al jarenlang geen indexering meer ontvangen, je toekomstige of huidige pensioen is dus niet meegegroeid met de inflatie. Alleen al bij mijn eigen pensioenfonds ABP zijn de deelnemers hierdoor ongeveer 20% aan koopkracht kwijt.

Tenslotte

Tsja, het is nogal een ingewikkeld slagveld als je het zo op een rijtje probeert te zetten. Met één duidelijke rode draad: het wordt fiscaal steeds minder aantrekkelijk gemaakt om eerder te stoppen met werken. Als ik braaf aan alle regelingen mee zou hebben gedaan, dan had ik nu een veelheid aan potjes met heel veel restricties waar ik niet heel veel mee zou kunnen. Terugkijkend vind ik het nog steeds verstandig dat ik al zo vroeg heb besloten om niet meer mee te doen aan deze regelingen. Gewoon mijn eigen spaarpercentage opkrikken en investeren in één grote pot is beter. En hopen dat er genoeg van mijn pensioeninleg overblijft om ook daar nog een beetje een uitkering uit te krijgen.

Gisteren schreef overigens ook Uitklokken over dit thema.

Profiteer jij nog van één van deze oudedagsregelingen?

Den Haag licht stilletjes de AOW door

Geldnerd werkt bij de Rijksoverheid, dat is geen geheim, ik volg dus ook uit professionele interesse wat er hier in Den Haag gebeurt. En na meer dan 15 jaar Den Haag ken je ook een aantal trucjes.

Zo weet ik dat je altijd goed op moet letten rond de momenten dat de Tweede Kamer met reces gaat (zeg maar ‘op vakantie’). Net voordat ze gaan of net nadat ze weg zijn worden er nog wel eens interessante brieven door de diverse ministers aan de Kamer gestuurd. In de hoop dat die, tegen de tijd dat de Kamerleden terugkomen, onderaan de stapel liggen. En in de hoop dat ze niet (of in elk geval minder) opgepikt worden door de media, want de parlementaire journalisten volgen hetzelfde vakantieritme als de Tweede Kamer (al hebben sommigen nog veeeeeel langer vakantie).

Net voor de Kerst gingen er vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op vrijdag 20 december enkele interessante brieven naar de Tweede Kamer. Die inderdaad nauwelijks media-aandacht kregen, iedereen zat met z’n gedachten al bij het kerstshoppendiner. Alleen op Twitter, de onderbuik van deze planeet, zag ik een aantal verontwaardigde reacties voorbij komen, met name over de tweede brief. Sommige mensen zijn zo gewend om alleen nog korte stukjes te lezen dat ze niet eens meer in staat lijken te zijn om een hele brief en rapport door te lezen.

De eerste brief is een voortgangsrapportage over de uitwerking van het Pensioenakkoord. Veel voortgang is er nog niet, dat is gegeven de relatief korte tijd die verstreken is ook niet zo gek. Wel staat er (op pagina 2 en 3) een interessante analyse van de verwachte effecten als de rente ook op langere termijn laag blijft. Ook in het Pensioenakkoord wordt namelijk uitgegaan van de ‘risicovrije rente’. Als die laag blijft dan is er wel een rekenprobleem te verwachten. Het blijft ingewikkeld, want het werkelijke pensioen hangt nog steeds af van de rendementen op beleggingen. Die, in elk geval historisch en over langere termijn, tot nu toe steeds hoger geweest zijn dan de risicovrije rente.

De tweede brief is nog interessanter, maar dan is het wel handig om even wat meer achtergronden van de Rijksbegroting te kennen. De Rijksbegroting, oftewel het financiële meerjarenplan van de Nederlandse Rijksoverheid, is verdeeld in Hoofdstukken. In de meeste gevallen is een hoofdstuk gelijk aan een ministerie, maar niet altijd. Bijzondere onderdelen zoals het Koningshuis, de Algemene Rekenkamer en de Raad van State, hebben een eigen hoofdstuk. Ieder hoofdstuk is weer ingedeeld in Artikelen. Die vallen samen met belangrijke thema’s en onderwerpen.

Periodiek wordt er voor elk artikel, zeg maar voor elk belangrijk thema, een Beleidsdoorlichting gedaan. Daarbij staat de vraag centraal of het gevoerde beleid op basis van dit artikel doeltreffend en doelmatig is geweest. In leesbare termen: Bereikt het beleid een beetje het doel, en gebeurt dat een beetje efficiënt of wordt er geld verspild? Beleidsdoorlichtingen zijn pittige exercities, waarbij een strenge blik van buiten meekijkt en fundamentele dingen ter discussie komen te staan. Als ze op ‘mijn’ beleidsartikel plaatsvinden dan levert dat altijd een hoop werk op.

De tweede brief gaat over de beleidsdoorlichting van Artikel 8 van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Artikel 8 gaat over de oudedagsvoorziening, en heeft als doelstelling: “De overheid biedt een basisinkomen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.” In de brief wordt al snel duidelijk dat deze beleidsdoorlichting zich gericht heeft op de eerste pijler van het pensioenstelsel, de AOW.

Het rapport van de beleidsdoorlichting is interessant leesvoer. Met name hoofdstuk 10, dat ingaat op de doeltreffendheid en doelmatigheid en beleidsvarianten. Zeg maar de conclusies en mogelijke alternatieven. In paragraaf 10.2 op pagina 85 staat de prachtige ambtelijke volzin “In de beleidsdoorlichting is wel geconcludeerd dat voorzover het doel van de AOW is dat het armoede moet voorkomen, in algemene zin gesteld kan worden dat nu de hoogte van de AOW (zeker in combinatie met de inkomensondersteuning AOW) boven het sociaal minimum ligt, dit doel ook met minder middelen bereikt zou kunnen worden”. In gewone mensentaal: het kan goedkoper want de AOW is hoger dan de huidige bijstand. Er worden dan ook twee beleidsvarianten uitgewerkt die de AOW dichter bij het sociaal minimum (‘bijstandsniveau’) zouden kunnen brengen.

Oei! Tijd om met de rollators naar het Malieveld te gaan? Actieplannen voor alle AOW-gerechtigden? Ik zou even wachten. Want dit is de conclusie van de beleidsevaluatie. Maar er zit ook een brief bij van de minister van SZW aan de Tweede Kamer. Die zijn ook altijd interessant, want daar lees je wat het kabinet van plan is om te doen met de evaluatie en de conclusies, onder het kopje ‘Kabinetsreactie’. Gelukkig lees ik daar ten aanzien van de beleidsvarianten dat het kabinet geen aanleiding ziet om, buiten de jaarlijkse indexatie, aanpassingen te doen in de hoogte van de AOW. In gewoon Nederlands: we gaan voorlopig niets veranderen aan de manier waarop de hoogte van de AOW wordt berekend.

Uiteindelijk verwacht ik wel dat de AOW in de toekomst neerwaarts bijgesteld gaat worden, richting het sociaal minimum. Dat is bijna onvermijdelijk. De AOW werkt volgens het omslagstelsel, waarbij de huidige AOW-uitkeringen worden betaald uit de premies die de huidige werkenden nu inleggen. Dat is iets heel anders dan het pensioensysteem, waarbij je zelf premie inlegt in een grote pot voor toekomstige betalingen. Omdat er steeds minder werkenden zijn tegenover steeds meer AOW-gerechtigden, is dat moeilijk houdbaar. Dan zijn er twee oplossingen: de AOW-premie verhogen of de AOW-uitkering verlagen. De huidige reactie van minister Koolmees zie ik dus als uitstel. Er liggen nog genoeg moeilijke dossiers voor deze kabinetsperiode (inclusief de uitwerking van het pensioenakkoord), de AOW mag nog even doorsudderen.

Volg jij de Haagse politiek?

Financieel onverstandige vrouwen…

Voordat ik gekruisigd, gevierendeeld, en verketterd word, dit is niet mijn mening. Maar wel de mening van het ABP, lijkt het… Als ambtenaren bouwen Geldnerd en Vriendin hun pensioen verplicht op bij het ABP. Eerder deze week kreeg Vriendin een mailing. Geldnerd kreeg de mailing niet.

De mailing begint met de vraag of Vriendin wel weet dat vrouwen bij het ABP gemiddeld 40% minder pensioen opbouwen dan mannen. Over de achtergronden daarvan (minder werken, en gemiddeld in lagere functies dan mannen) wordt niets gezegd. Maar ABP wil Vriendin graag meer bewust maken van haar geldzaken, zodat ze meer inzicht en overzicht en grip heeft op haar financiële situatie. En daarom krijgt ze (in samenwerking met een commercieel bedrijf) gratis de training ‘Financiën in de vingers’ aangeboden. Vriendin hoopt vooral dat er ook een manicure inbegrepen is.

Nu is Vriendin niet echt de doelgroep. Voltijds gewerkt vanaf het moment dat ze afstudeerde, en keurig ‘carrière gemaakt’. Carrière, je weet wel, dat woord dat we gebruiken om de pijn te verzachten voor steeds harder werken voor steeds vervelender vergaderingen tegen marginaal meer salaris per gewerkt uur… En ze heeft vlijtig gespaard en elke maand geld over gehouden. Ook al weigert ze dan om haar spaarpercentage uit te rekenen of te bekijken waar haar geld precies naar toe gaat. We zijn niet allemaal zo gek als Geldnerd.

ABP belooft inzicht in jouw geldzaken, slimme tips over hoe je goed met geld omgaat, kennis over jouw pensioen, jouw eigen financiële plan van aanpak. Vervolgens wordt er nog even op gewezen dat ‘financiële zelfredzaamheid’ ook bij Koningin Máxima hoog op de agenda staat. Blijkbaar is er een programma ‘Reality Check!’, waar de training ‘Financiën in de vingers’ onderdeel van is. Het zal wel aan mij liggen, maar ik heb dat compleet gemist. Terwijl ik het nieuws over geld en persoonlijke financiën beter volg dan de gemiddelde Nederlander, denk ik… Dan nog even een testimonial van iemand die het licht gezien heeft, en een verwijzing naar een vorm van groepsgesprek over je financiën.

Wat vindt Geldnerd?

Ik hink op twee gedachten. Aan de ene kant ben ik positief over elke poging om de financiële geletterdheid van Nederland en de Nederlanders te vergroten. Want die financiële geletterdheid is beroerd, blijkt steeds weer uit onderzoek en uit statistieken. Het lukt veel Nederlanders niet om hun korte termijn financiën op orde te houden, en langere-termijn beslissingen zijn nog veel ingewikkelder. Want meer onzekerheden waar je mee om moet gaan. Ik schrik iedere keer weer als ik statistiekjes lees over het percentage mensen met schulden, de omvang van de schulden, het aantal mensen met betalingsachterstanden, en statistiekjes over hoeveel (of eigenlijk weinig) mensen sparen en/of beleggen. Vanuit dat perspectief kan ik dit initiatief natuurlijk alleen maar toejuichen.

Aan de andere kant vind ik eigenlijk dat iedereen deze cursus zou moeten kunnen doen. Sterker nog, er zou wat mij betreft veel meer aandacht moeten komen voor financiën op in elk geval de middelbare school. Samen de algemene voorwaarden doorlezen van de gemiddelde hypotheek, mobiel abonnement, of levensverzekering in de economieles. Les over het bijhouden van een kasboekje, en dan als huiswerk dat een maand bijhouden. Als je rood staat aan het eind krijg je een onvoldoende…

Eigenlijk voelt Geldnerd zich ook gewoon beledigd dat hij de mailing niet heeft gekregen… Discriminatie op geslacht, dat is het! Weet ik als witte hoogopgeleide man van middelbare leeftijd ook eens hoe dat voelt.

De verloren generatie

Op pensioengebied is er in Nederland echt wel sprake van een ‘verloren generatie’. Geldnerd komt ze in zijn werk vrijwel dagelijks tegen. Het is de groep die nog net voor hem zit richting het pensioen. Tweede helft vijftig, al meer dan 30 jaar aan het werk. Ooit begonnen aan hun loopbaan met een eindloonregeling. Die is vervangen door een middelloonregeling, de opties voor vervroegd pensioen zijn afgeschaft (of in elk geval onbetaalbaar gemaakt), en de pensioendatum is soms wel 10 jaar naar achteren geschoven.

Voor sommige vrouwelijke collega’s in die leeftijdscategorie is het perspectief nog iets vervelender. Vaak zijn ze later ingestroomd toen ‘de kinderen oud genoeg waren’. Wel een jaar of 30 gewerkt, maar meestal part-time. Dus minder pensioen opgebouwd. Wel altijd meebetaald voor het vroegpensioen en de FPU voor oudere collega’s. En gaandeweg te horen gekregen dat ze daar zelf niet meer van konden profiteren, en hun eigen ‘haalbare pensioendatum’ een jaar of 10 naar achteren zien schuiven.

Voor deze groep komt de hulp die het ABP nu aanbiedt te laat. Er is geen tijd meer om de schade te repareren. Ook jonge vrouwen zijn helaas nog steeds degenen die, vaker dan mannen, minder gaan werken als er kinderen komen. En hun perspectief voor wat betreft pensioen en financiële zelfredzaamheid is dus nog steeds niet hetzelfde als het perspectief van mannen van dezelfde leeftijd. Eigenlijk een heel trieste constatering na 50 jaar emancipatie.

Gaat jouw vriendin op cursus voor haar persoonlijke financiën?

« Older posts

© 2020 Geldnerd.nl

Theme by Anders NorenUp ↑